Posts tonen met het label Adriaan Hendriks. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Adriaan Hendriks. Alle posts tonen

zondag 28 juli 2013

Het geschenk

voor Josiene

Ik dwaalde door het centrum van een grote stad
de bloemenkoopman ventte schaamteloos
de laatste ruikers onkruid uit. Op een terras
dronk ik een zuur d’orange met veel eau de cologne
ik slikte en mijn ogen vulden zich met levertraan.

Ik mijmerde: het leven is een rommelmarkt
waar oud roest noodgedwongen blinkt
en niemand zoekt naar wat ie vindt
uiteindelijk word je vergeven door de vlooien
en keert naar huis terug met een gegeven hobbelpaard
dat mogelijk in zijn aftandse bek
een ongekende schat bewaart.

donderdag 4 april 2013

Vaste vloerbedekking


Ik vermoed dat het in 1971 was. Samen met mijn beste vriend keek ik naar het eerste afscheidsconcert van de Rolling Stones. Of het live was of een opname weet ik niet, maar het kwam vanuit een Engelse nachtclub, voor een handvol publiek en ik herinner mij in ieder geval het nummer “Brown Sugar”. Daar zaten wij, ongelovig en lichtelijk verbijsterd. De Rolling Stones stopten met optreden. Het was toch een stuk van je leven dat daar werd afgesloten. Hoe was het mogelijk. En ze waren nog zo jong. Het was bijna niet voor te stellen dat ze voortaan alleen nog maar platen zouden maken.

Nou, dat hebben we geweten. We zijn inmiddels ruim veertig jaar verder en alweer gonst het van de geruchten over het zoveelste afscheidsconcert. The Rolling Stones featuring Heintje Davids. Maar goed, die avond. We waren te gast bij de oudste zus van mijn vriend, want bij je burgerlijke ouders kon je onmogelijk ongestoord naar zoiets hoogstaands als het afscheidsconcert van de Stones kijken. De zus was niet lang daarvoor getrouwd met wat gerust de ideale schoonzoon genoemd mocht worden. Sympathiek, humoristisch, onderwijzer, langharig, progressief katholiek en ook nog eens gemeenteraadslid voor de PPR. Ze bewoonden een flat, een baby was er ook al. Voor aanvang van het concert bekeken wij het slapende kind waar de zus van mijn vriend opgetogen over doorratelde. Ja, er lag een hoopje mens in die wieg, dat zag ik ook wel, maar waarom je daar zo opgewonden van zou moeten raken ontging mij. Ik was nog jong en vol van mijzelf. Nouja, het sliep in ieder geval, dat scheelde.

Terug naar de zwart-wit beelden die met Heineken werden weggespoeld. Het afscheid van de Rolling Stones, dat maak je toch maar één keer mee. Na afloop trok ik mij even terug op het toilet om het bier uit te scheiden. Prettig toch, om te gast te zijn bij mensen iets ouder dan jijzelf, die helemaal begrepen hadden dat er een nieuwe tijd was aangebroken. Nieuwe tijd? Ik staarde naar de vloer van het toilet. Rondom de wc-pot lag vaste vloerbedekking. Deze belangrijke vernieuwing had ik nog niet eerder gezien, maar ik begreep onmiddellijk de vergaande consequenties hiervan. In 1971 was dweilen zó 1964. Wat kon er knusser zijn dan een toilet met paarsgeverfde muren en vloerbedekking die je alleen maar even hoefde te stofzuigen? En ach, die enkele druppel urine die er misschien eens op de vloer viel die rook je een paar dagen later toch allang niet meer?

Die vriend van mij ben ik een paar jaar later uit het oog verloren en dat huwelijk van zijn zus heeft ook niet lang geduurd, heb ik inmiddels op het internet uitgevonden. Waar dat aan lag weet ik natuurlijk niet, maar ik weiger te geloven dat de ideale schoonzoon er een gewoonte van maakte om buiten de pot te pissen.

En bij vaste vloerbedekking hoort natuurlijk ook een muzikaal behangetje, al hoop ik van harte dat ik het afscheid van de Rolling Stones nog mee zal mogen maken:


woensdag 3 april 2013

Papyrusplant


Zie jezelf nou toch detoneren
met het Chinese aardewerk
op oma’s antieke tafeltje moeten drie potten
en twee lagen plastic voorkomen dat jij
in het mahonie een kring achterlaat.

Vieze plant. Met je droge punten
sta je ook nog echte kunst aan het oog te onttrekken.

Je vóórouders, ja, die betekenden iets
ze dronken Nijlwater en werden tot papier
waarop het eeuwig onvergankelijk woord van God
zomaar, floep, werd neergeschreven
daar hebben we nu nog iedere dag plezier van

en je nééf, die voer nog met Thor Heyerdahl
heroïsch de nieuwe wereld tegemoet

maar jij, ga alsjeblieft terug naar de Gamma
of hoe het ook maar heten mag waar je vandaan komt

of anders: get a life.


zaterdag 2 februari 2013

Vacuüm van hoop en vrees


In het midden van de nacht
als zonsondergang en zonsopgang precies
even ver weg zijn
en de wereld stopt met draaien
alvorens terug te schieten de andere kant op

dat ondeelbare ogenblik

dan zal Hij mij horen als ik tot Hem roep
dan MOET – weer die vier hoofdletters –
Hij mij horen

of laat Hij zich verontschuldigen omdat Hij dan
aan de andere kant van de wereld
branden aan het blussen is?

Vroeger had je kampen vol mensen
die riepen tot ze een ons wogen.

zondag 13 januari 2013

In de kantlijn


In 1618 en 1619 vergaderde in Dordrecht de synode van de Nederduits Gereformeerde Kerk (later de Hervormde Kerk geheten) en besloot dat er een Nederlandse vertaling van de Bijbel moest komen. De synode verzocht de Staten-Generaal dit project te bekostigen. Zo ontstond de  Statenvertaling. De vertalers kregen van de synode de opdracht om in de kantlijn toelichtende verklaringen te plaatsen, bijvoorbeeld over vertaaltechnische problemen, vergelijkbare passages elders in de Bijbel e.d. Dit werden de zogenaamde kanttekeningen. In de meeste Bijbels voor huis- tuin- en keukengebruik werden ze niet afgedrukt, maar Statenbijbels met Kanttekeningen zijn ook nu nog te krijgen: zie bijvoorbeeld hier.

Er werden nog meer zaken afgehandeld op de synode. Er werd een uitspraak gedaan in het geschil tussen remonstranten en contraremonstranten. Kort gezegd kwam het erop neer dat de remonstranten een theologie voorstonden die meer ruimte voor de vrije wil van de mens liet. Nu zouden we zeggen: ze stonden voor een vriendelijker en humaner soort christendom. Protestants, maar niet Calvinistisch. De remonstranten waren als beklaagden gedaagd. Onder voorzitterschap van dominee Johannes Bogerman uit Leeuwarden werden ze op 14 januari 1619 de vergaderzaal uitgejaagd en veroordeeld. Tweehonderd predikanten werden uit hun ambt gezet en verbannen of kregen een preekverbod. Van de ene op de andere dag werd een belangrijke geestelijke stroming gemarginaliseerd. Stadhouder Prins Maurits van Oranje koos om politieke redenen de kant van de contraremonstranten. Na zijn dood in 1625 keerden veel remonstranten geleidelijk aan terug. De Remonstrantse kerk was officieel verboden, maar werd in de praktijk gedoogd. De Rode Hoed in Amsterdam is oorspronkelijk als Remonstrantse schuilkerk gebouwd. (Bron: Wikipedia).

Jan Pieterszoon Sweelinck leefde van 1562 tot 1621. In zijn tijd was hij een beroemdheid in Europa. Hij woonde en werkte in Amsterdam. Waarschijnlijk is hij zijn leven lang katholiek gebleven. Omdat het Amsterdamse stadsbestuur in 1578 overgegaan was in protestantse handen, mocht Sweelinck het orgel van de Oude Kerk uitsluitend voor en na de diensten bespelen, niet tijdens. (Bron: Wikipedia). In het jaar dat de protestanten elkaar te Dordrecht verketterden publiceerde hij o.m. deze compositie: 




vrijdag 11 januari 2013

Vergeving


“De plaatsen binnen worden hier door mij vergeven”
sprak Petrus tot mij aan de hemelpoort
“maar wat mij soms wel vreselijk stoort
is dat het daar van christenen is vergeven.”


Nog een mooi filmpje over hetzelfde onderwerp:


donderdag 10 januari 2013

Roeping

Toen ik veertien was werkte mijn oudere zus in de verpleging. Ze vertelde over een collega, laten we haar Ria noemen, die slecht lag in de groep. Ria werd door de andere meiden niet serieus genomen en er werd over haar geroddeld. Waarom, en wat er niet aan haar deugde, werd mij niet duidelijk, maar Ria was besmet.

Ria was verloofd en op een dag zei haar verloofde tegen haar: “Ik heb het gevoel dat God mij roept. Zou ik misschien dominee moeten worden?” Een week later verongelukte hij met zijn bromfiets. God had hem inderdaad geroepen. Ria bleef achter en ondanks haar treurige lot bleven haar collega’s haar als een paria behandelen.

Die zomer belandde ik in het ziekenhuis. Ook Ria werkte op de afdeling waar ik lag. Ik vond haar aardig en kon niet begrijpen wat haar collega’s tegen haar hadden. Na verloop van tijd moest ik een blaasonderzoek ondergaan. Dat gebeurde toen nog onder narcose en bovendien moest de schaamstreek van de patiënt van tevoren geschoren worden. Daags voor het onderzoek verscheen Ria aan mijn bed om zich van deze taak te kwijten. Ik werd ingezeept rondom mijn geslachtsdeel. De kwast en de zeep waren zacht, het water was aangenaam warm. Ik probeerde aan iets anders te denken maar kon niet voorkomen dat mijn geslachtsdeel langzaam begon te groeien. Precies op het moment dat Ria de laatste hand aan haar werk legde, bereikte mijn geslachtsdeel zijn volle lengte en wipte omhoog. Beiden negeerden wij deze gebeurtenis volkomen. Er was niets gebeurd dat bijzondere aandacht behoefde. Ria nam vriendelijk afscheid, ik bracht mijn kleding op orde en legde mijzelf te ruste, de handen bovenop het dek.

woensdag 9 januari 2013

Touw


Ik was zes. Alle jongens hadden een vlieger, zo één van houten latjes met vliegerpapier erover, ik niet. Op een avond beloofde mijn vader: ik ga samen met meneer B. voor jou een hele grote vlieger maken.  

En een grote vlieger werd het. Om precies te zijn: de grootste van de hele buurt. Mijn God, wat een ongelooflijk grote vlieger. Zo groot als ikzelf, ik zweer het. Niet te hanteren natuurlijk. Maar geen nood, daar hadden we meneer B. en mijn vader voor.

Op een avond werd het monster opgelaten. Ik stond erbij en keek ernaar. Ik stond en keek nog steeds toen de vlieger na enkele minuten naar beneden stortte. Het touw was gebroken. Grote consternatie. Mijn vader en meneer B. sprongen op hun fiets en doorkruisten de omgeving. Na lang zoeken werden de restanten aangetroffen. Onherstelbaar beschadigd. Het stoffelijk overschot kreeg ik niet meer te zien en de vlieger werd niet vervangen.

Niet lang daarna verongelukte meneer B. op zijn motorfiets, zijn vrouw met twee jonge kinderen achterlatend. De weduwe B. schafte al snel een Daf aan, een bezienswaardigheid in die tijd. Voortaan tufte zij ons iedere zondag in haar Daf voorbij als wij door weer en wind naar de kerk aan de andere kant van de stad fietsten en weer terug naar huis. Ik wist uit de verhalen van W.G. van der Hulst niet beter of alle weduwen waren arm. Toen ik mijn vader om opheldering vroeg antwoordde hij: “Daar heb ik voor gezorgd.” Hij bedoelde dat hij voor haar de papierwinkel na het overlijden had afgewikkeld.

Mevrouw B. tufte nog jaren in haar Daf rond en haar kinderen werden groter. Het viel mij op dat er verder nooit contact was tussen ons gezin en het hare. Een groet in het voorbijgaan bij het verlaten van de kerk, meer niet. Zelfs geen glimlach. De kinderen leken mij niet eens te kennen. Je zou denken: zo’n vlieger, dat ongeluk en die Daf, het schept een band, maar nee, nooit iets van gemerkt.

maandag 31 december 2012

De Profeet


Op 26 september 2012 sprak de president van de Islamitische Republiek Iran, Mahmoud Ahmadinejad, de 67e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York toe. Hij zei daarbij onder meer het volgende:

"God Almachtig heeft ons een man van goedheid beloofd, een man die van mensen houdt en van absolute rechtvaardigheid, een man die een volmaakte mens is en Imam al-Mahdi genoemd wordt, een man die in gezelschap zal komen van Jezus Christus (Vrede zij met Hem) en de Rechtschapenen. Door het eigen potentieel van alle waardige mannen en vrouwen van alle landen te gebruiken… zal hij de mensheid naar de verwezenlijking van haar glorieuze en eeuwige idealen leiden.
De komst van de Ultieme Verlosser zal een nieuw begin betekenen, een hergeboorte en een verrijzenis. Het zal het begin van vrede, blijvende veiligheid en waarlijk leven zijn.
Zijn komst zal het einde van onderdrukking, immoraliteit, armoede en discriminatie zijn en het begin van rechtvaardigheid, liefde en medeleven.
Hij zal komen en onwetendheid, bijgeloof, vooroordeel doorbreken door de poorten van wetenschap en kennis te openen. Hij zal een wereld boordevol inzicht vestigen en de basis leggen voor de gezamenlijke, actieve en constructieve deelname van allen aan het beheer van de wereld.
Hij zal komen om de gehele mensheid de gave van goedheid, hoop en vrijheid, en waardigheid te schenken.
Hij zal komen opdat het mensdom het genoegen van het mens-zijn en het gezelschap van andere mensen zal ervaren.
Hij zal komen opdat de handen ineen geslagen zullen worden, harten met liefde vervuld worden en gedachten gezuiverd zullen worden om ten dienste te staan van de veiligheid, het welzijn en het geluk van iedereen.
Hij zal komen om alle kinderen van Adam, ongeacht hun huidskleur, na een lange geschiedenis van afgescheidenheid en verdeeldheid naar hun aangeboren oorsprong terug te leiden en hen met eeuwig geluk te verbinden.
De komst van de Ultieme Verlosser en van Jezus Christus en de Rechtschapenen zal de mensheid een eeuwigdurend stralende toekomst brengen, niet door geweld of oorlogvoering maar door het ontwaken van het denken en door de ontwikkeling van goedheid in iedereen. Hun komst zal nieuw leven blazen in het koude en bevroren lichaam van de wereld. Hij zal de mensheid zegenen met een lente die een einde maakt aan onze winter van onwetendheid, armoede en oorlog door de tijding van een seizoen van bloei.
Nu ruiken we de zoete geur en de gevoelvolle bries van de lente, een lente die pas begonnen is en niet aan een specifiek ras, etniciteit, natie of regio toebehoort, een lente die spoedig alle gebieden van Azië, Europa, Afrika en de VS zal bereiken."




zaterdag 29 december 2012

Het afscheid


We zijn geneigd bij afscheid aan iets verdrietigs te denken: een verlies, pijn, een blijvend gemis. Maar je kunt ook afscheid nemen van iets treurigs: het donker, een verslaving, onwetendheid, een ongelukkige relatie.  Wat heerlijk om het spiegelpaleis, het spookhuis, de doolhof zonder uitgang en het Hotel California achter je te laten. Om wakker te worden in het zonlicht en te weten wie je bent: een prinses, een vlinder, een kind van God, geboren voor het geluk.

Terwijl gisteren alles nog zo gewoon leek.



donderdag 27 december 2012

Over de dood


Stel je een schoolbord voor, zo’n drieluik, niet uit een middeleeuwse kathedraal, maar uit een modern onderwijstempelcomplex. Een groot bord in het midden, twee half zo grote borden ernaast. Door het jaar heen is het drieluik gesloten, de twee kleine borden zijn om hun as geklapt en bedekken samen het middelste, grote bord. Af en toe schrijft iemand er iets op: een formule, een vervoeging, het huiswerk voor de volgende keer. Vroeg of laat wordt het geschrevene weer uitgeveegd. Op de laatste dag voor de kerstvakantie wordt het bord opengeklapt en nu blijkt dat iemand de moeite heeft genomen om de hele Top 2000 op het bord te schrijven: in minutieus kleine lettertjes. Verbazing alom, echt de hele lijst der lijsten staat erop, in sierlijk handschrift, bijna onleesbaar klein, een monnikenwerk moet het geweest zijn, het is een wonder. Niemand weet wie het gedaan heeft, de auteur meldt zich niet en de klas besluit dat dit nooit mag worden uitgeveegd, maar het hele jaar op het bord moet blijven staan, weliswaar achter gesloten luiken als straks de school weer begint en er zo nu en dan iets op het bord geschreven zal moeten worden, maar toch: het zal er zijn. Zoals in de middeleeuwse kathedraal het paradijs in het midden van het drieluik ook het grootste deel van het jaar aan het oog onttrokken werd en de gelovigen gedwongen waren tegen de zondeval of het laatste oordeel aan te kijken.

De school loopt leeg, het licht in de lokalen dooft, de verwarming gaat uit, de hekken sluiten. Kerstvakantie, jaarwisseling. Korte, donkere dagen. Ergens in die vakantie gebeurt het. Iemand, niemand weet wie, heeft het bord schoongeveegd. En niet een beetje, met de wisser, zodat hier en daar nog iets leesbaar is, maar radicaal, met de natte spons, tot letterlijk alles weg was en het bord weer als nieuw. Heeft een schoonmaker het gedaan? De conciërge? Een verbitterde leerkracht? Een balorige leerling? Niemand weet het, maar het wonder lijkt weg, voorgoed. Het nieuwe jaar begint met een schone lei.


Nr. 97: Amy Winehouse, Back to black.


woensdag 26 december 2012

Over godsdienst


Wat lijkt het mij erg om Kerst op het zuidelijk halfrond te moeten vieren. De zomer barst los, de mussen vallen van het dak en dan aan de rand van het zwembad met je kerstmuts op barbecuen. Wie verzint er zoiets? Ach ja, de kerk natuurlijk. Op het noordelijk halfrond was het een prima idee: vier de geboorte van degene die zich het licht der wereld noemde tegelijk met de terugkeer van het zonlicht. Maar wat jammer dat de kerk zo van God los is dat ze Jezus groter maakte dan de kosmos, zodat nu alle gelovigen ten zuiden van de evenaar het lichtfeest moeten vieren op het moment dat ze daar het minste behoefte aan hebben.

Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd (Prediker 3:1). 


The Byrds Turn! Turn! Turn! nr. 1468.


maandag 24 december 2012

Over Genot


Een spartaanse kerstavond. Eén kaars op tafel. Het houtvuur brandt, maar verder is het vertrek onverwarmd. Een eenvoudige maaltijd. Maar het hart vol dankbaarheid. Vanwege de zon die terugkeert. De schepping die herademt. Het licht dat altijd overwint. Het brein niet beneveld door alcohol, de stemming niet gedrukt door het vooruitzicht morgen alwéér zwaar te moeten tafelen. In de late avond naar de kerk. Het kerstevangelie horen lezen alsof het de eerste keer is en opgetogen terugkeren naar huis. Je vreugde niet opkunnen. Alsof God in al je lichaamscellen wordt geboren.


zondag 23 december 2012

Zó werkt dat!


Het volgende verhaal berust op een ware gebeurtenis. Een goede vriend van mij, die gelovig christen is, hoorde het uit de mond van de hoofdpersoon.

Een Nederlandse man emigreerde na de oorlog naar een Zuid-Amerikaans land. Er was geen vangnet en er waren geen sociale voorzieningen. Met hard werken wist hij het hoofd boven water te houden. Op een dag raakte hij zijn baan kwijt en vond geen nieuw werk meer. Toen hij door zijn geld heen was en op straat gezet dreigde te worden zwierf hij moedeloos door de grote stad waar hij woonde en passeerde de kathedraal. Hij was onkerkelijk opgevoed, wist niets van het christelijk geloof af en had geen idee wat er zich binnen in zo’n gebouw afspeelde. Er waren mensen die in een God geloofden en die bezochten een dergelijk gebouw: zo ver reikte zijn kennis ongeveer.

Plotseling voelde hij een innerlijke drang om het gebouw binnen te gaan en God om hulp te vragen. Hij aarzelde. Hij was nog nooit in een kerk geweest. Zou hij niet uit de toon vallen en worden weggestuurd? Aan de andere kant, wat had hij te verliezen? Nog even en hij zou zonder geld of werk dakloos over straat zwerven. Hij besloot het erop te wagen en betrad de kathedraal. Binnen liep hij enige tijd rond en toen het hem duidelijk werd dat niemand hem wegstuurde, nam hij plaats op één der banken. “God”, zei hij in gedachten, “ik ben nog nooit in een kerk geweest, maar ik heb dringend een baan nodig.” Plotseling hoorde hij een stem die zei: “Als je zo dadelijk buiten komt, sla dan linksaf, neem de derde straat rechts en bel halverwege de straat aan op nummer 47. Daar zul je een nieuwe baan vinden.”

De man was perplex en verliet de kathedraal vol twijfel en verbazing. Hij volgde de route die de stem hem had gezegd en ja, halverwege de bewuste straat bevond zich nummer 47. De man belde aan, zei dat hij werk zocht en werd tot zijn stomme verbazing aangenomen. Hij ging nog één keer terug naar de kathedraal om God te bedanken en Hem te zeggen dat hij verder geen interesse had. Hij was daarna geen dag meer zonder werk en toen hij oud geworden was keerde hij naar Nederland terug en zocht contact met actieve, evangelische christenen om, na al die jaren, toch eens uit te zoeken wat hem destijds eigenlijk was overkomen. Tegen mijn vriend zei hij: “Op dat moment dacht ik alleen maar: O, dus zó werkt dat in een kerk. Je loopt naar binnen, je stelt een vraag en dan krijg je gewoon antwoord!”


Over Het Gebed
Billy Preston: That's the way God planned it.





vrijdag 21 december 2012

Een nieuw tijdperk


Een handvol meeuwen stortte zich
vechtend en krijsend op afval
dat in het sterk vervuilde grachtenwater dreef
 “dat kan toch anders” wilde ik gaan denken maar
het denken stokte in mijn hoofd toen ik bedacht
dat ik misschien zojuist de zeer nabije toekomst
van de menselijke soort geschouwd had.

vrijdag 14 december 2012

Drenkeling


Een bultrug die na jaren in het water
ook wel eens wilde weten hoe het aan de wal is
moest ondervinden dat dit voor een walvis
te allen tijde eindigt met een kater.

De laatste reddingspoging is gedaan
een zandplaat werd het dier fataal
de afloop doet in niets meer denken aan een kerstverhaal
al schrijft de krant nog wel: Johannes is zijn naam.

donderdag 6 december 2012

Over eten en drinken

Schrijfveer over de top 2000


Zal ik dan ook maar een keer? Herman’s Hermits, No milk today.

Een heremiet, was dat geen kluizenaar?  

Vandaag niet, melkboer. Mevrouw ligt in het ziekenhuis. Wat zegt u? Ja, ze heeft wel iets van een kluizenaar. Ik hoop dat ze gauw weer aan de gin met jus kan. Die melk heeft geen haast. Dag melkboer.



En hier de tekst.

zondag 18 november 2012

Monsters


De kinderen die zijn vrouw hem baarde
ontpopten zich als monsters zonder waarde.


zondag 28 oktober 2012

Boekverbranding


Vandaag heb ik het weer eens geprobeerd. Ik reisde naar Rotterdam en meldde mij aan een balie. Een vriendelijke mevrouw nam mijn jas aan en leidde mij een vertrek binnen waarin een veel te grote vergadertafel stond opgesteld met aan weerszijden symmetrisch een aantal stoelen. Als u aan die kant wilt plaatsnemen, wees ze en vroeg of ik iets wilde drinken. Terwijl ik mijn automatencappuccino afwachtte staarde ik naar de stoel tegenover mij, waarop mijn gesprekspartner naar verwachting zou plaatsnemen. De afstand was imponerend en zou in het gesprek niet worden overbrugd.

De man tegenover mij was gereserveerd, maar niet onvriendelijk. Hij stelde de gebruikelijke vragen, ik trachtte mijn antwoorden niet al te ongebruikelijk te laten klinken. Er sprong geen vonk over. Op het eind deelde mijn gastheer mee dat er nog meer kandidaten waren. Het afscheid was kort, met overdreven veel deuren die overdreven hoffelijk voor mij werden opengehouden. De laatste deur moest vanzelf opengaan, maar weigerde aanvankelijk dienst. Zo energiek als ik voor het gesprek was geweest, zo leeg voelde ik mij nu. Ik slofte naar de tramhalte, lunchte op het Centraal Station met een appelflap en een reep chocola en viel in de trein naar Utrecht in slaap. Tijdens de fietstocht naar huis speet het mij dat ik geen normale lunch had gebruikt. Toen ik thuiskwam was er gelukkig niemand om mij te vragen hoe het was gegaan.

Nu is het avond. Ik zit op mijn werkkamer en probeer te begrijpen wat mij vandaag, tegen beter weten in, naar Rotterdam dreef. Ik staar naar de boeken die ik in de loop van tientallen jaren om mij heen heb verzameld. Voor het eerst denk ik: ze kunnen me allemaal gestolen worden. Wat moet ik met alle filosofie, psychologie, psychiatrie en poëzie als ik uiteindelijk toch gewoon mijn heil weer in plaatsen als Rotterdam ga zoeken? Waarom heb ik alleen van de Bijbel al zeven verschillende vertalingen staan terwijl ik weet dat het verlossende woord er niet in te vinden is? Ik krijg plotseling een sterke behoefte om al mijn boeken weg te doen. Te verbranden misschien wel. Een perspectief te forceren. Duizend kilo boeken ruilen voor één gram inzicht. Een miljoen bedrukte pagina's ruilen voor één frase die iets zou kunnen verhelderen. Een leven lang lezen inruilen voor het recht om één keer een seconde achter de coulissen van de werkelijkheid te kunnen kijken.

Ik weet allang wat mij naar Rotterdam dreef. De diepgekoesterde wens om een normaal leven te leiden. 's Morgens met de grote stroom mee naar het werk. Een paar weken per jaar vakantie in het hoogseizoen, aflossen op de hypotheek, geen overmatige geldzorgen en vooral niet teveel gezeur aan mijn kop. Ik wil mijn rechtmatige plek in de tredmolen. Gewoon, de tijd tussen wieg en graf ogenschijnlijk nuttig doorbrengen. Ik heb recht op afleiding. Ik wil al die levensvragen niet. Waarom ben ik werkloos? Waarom ben ik afgestudeerd in iets waar geen droog brood mee te verdienen valt? Waarom gaat het schrijven zo moeizaam? Waarom ben ik geen succesvol zakenman? Waarom heeft mijn vrouw problemen? Waarom luisteren mijn kinderen niet? Waarom is huiselijk geweld verboden? Waarom gaat niet alles vanzelf in het leven? Waarom wonen er mensen in Rotterdam?

Mijn boeken kunnen mij gestolen worden. De literatuur en de poëzie kunnen mij gestolen worden. Weg met kunst, religie en zogenaamde antwoorden op universele vragen. Laat iemand mij eerst eens in begrijpelijke bewoordingen uitleggen waarom ik vanmorgen naar Rotterdam ben gegaan: een plaats die zijn bestaansrecht uitsluitend ontleent aan het feit dat er teveel containers op de wereld zijn. Wie is er eigenlijk ooit op het idee gekomen die stad na de oorlog weer op te bouwen? Rotterdam is geen plek voor beschaafde mensen. Waarom bestaan er geen boeken waar dat gewoon zwart op wit in staat? Waarom moet ik daar helemaal heen reizen om er zelf achter te komen? Wat heb ik aan al die wijsheid, als ik na zoveel jaren nog steeds bereid ben mij in Rotterdam te laten vernederen wanneer ik op krampachtige wijze probeer ook een plaatsje in de tredmolen te veroveren? Alsof mij niet al honderd keren en meer op subtiele en minder subtiele wijze is duidelijk gemaakt dat mijn aanwezigheid daar niet op prijs wordt gesteld. ''Er was voor hem geen plaats in de tredmolen.'' Ik begrijp opeens – tenminste dat denk ik – hoe het is als altijd de deur voor je neus wordt dichtgegooid. Whites only. Slegs vir blanke. Geen vrouwen, homo's, Marokkanen, vijftigplussers of andere mensen waar wij het hier niet zo op hebben. En het dan toch blijven proberen hè, tegen de klippen op. Mooie uitdrukking eigenlijk, tegen de klippen op. Tegen de klippen op naar Rotterdam reizen. Tegen de klippen op normaal willen zijn. Tegen de klippen op alles liever willen doen dan schrijven. Tegen de klippen, de klippen, de klippen. Hij was er als de klippen bij om naar Rotterdam te reizen. En dan boos worden als het tegenvalt. Heimelijk met de gedachte aan een boekverbranding beginnen te spelen. Liefst ook nog op de Coolsingel zeker. Wedden dat heel Rotterdam ervoor zou uitlopen? Die mensen zijn zó ongeletterd.

Misschien moet ik niet alleen mijn boeken, maar ook mijzelf erbij in brand steken. Van de boeken een brandstapel bouwen en zelf er bovenop plaats nemen. Maar wie moeten we vragen om het vuur te ontsteken? Het hoofd van de Vrijwillige Brandweer! Zodat zijn manschappen kunnen oefenen op de techniek van het gecontroleerd laten uitbranden, iets dat in het Botlekgebied en op de Maasvlakte nog van pas kan komen bij toekomstige calamiteiten. Kijk, dan is mijn dood nog ergens goed voor. Dan heb ik niet voor niets geleefd. Dan draag ik toch nog een steentje bij in Rotterdam. En de tredmolen kan ook gewoon verder zonder dat ik steeds zand in de wielen dreig te gooien. En al die overbodige boeken hoeft niemand na mijn dood meer op te ruimen. En ik ben mijn vrouw en kinderen niet langer tot last, die nu gebukt gaan onder mijn telkens wisselende stemmingen. Ik heb de boodschap begrepen. Er was voor mij geen plek in Rotterdam. Maar daarom hoef ik Rotterdam nog niet de rug toe te keren. Ik sluit de stad en haar bewoners voor altijd in mijn hart en offer mijzelf op voor hun belangen en hun toekomst. De stad zal mij nog lang in dankbaarheid gedenken en zich wellicht zelfs afvragen of ze niets had kunnen doen om mijn dood te voorkomen. Ik sluit niet uit dat er een monument voor mij wordt opgericht, ergens in de haven of aan de voet van de Euromast. Misschien wordt de derde Maasvlakte wel naar mij vernoemd. Of wordt de Coolsingel omgedoopt in Hendriks Houtskoolsingel. Of wordt mijn leven zelfs verfilmd.

Ik vind eigenlijk alles goed, zolang maar niemand het in zijn hoofd haalt om een boek over me te schrijven. Als ik dáár aan gene zijde lucht van krijg, sta ik niet voor mijzelf in. Dan is alles toch nog voor niets geweest. Ik denk dat ik in dat geval nog heel lang rond ga spoken in de Botlek en op de Maasvlakte, tussen al die brandgevaarlijke industrieën. Zodat de brandweer nog heel vaak het gecontroleerd laten uitbranden in praktijk zal moeten brengen en nog heel vaak aan mij terug zal denken: een voorbeeld voor de hele stad Rotterdam en voor iedere hardwerkende Nederlander, eigenlijk.

zaterdag 27 oktober 2012

Droombeelden


Ik was in een leegstaande fabriek. Overal stonden nog de machines en de installaties opgesteld, liepen ingewikkelde buizenstelsels, met drukmeters erop en grote wielen eraan. Alles zat onder roest, stof en spinrag. Wat hier ooit geproduceerd was viel niet meer na te gaan. Ik dwaalde door de immense hallen toen ik plotseling in de verte een meisje van vijf of zes jaar in een wit jurkje zag lopen. Ze had iets in haar handen, een klein boeket bloemen, wit en geel. Ik riep haar niet. Er was geen geluid in mijn droom. Ik besloot naar haar toe te gaan. Toen ik haar kant uit wilde lopen werd ik wakker.

Ik stond op en zette de tv aan, zonder geluid. De paus daalde in een witte jurk een vliegtuigtrap af. De plaatsbekleder van Christus op aarde, die zomaar door de hemel aan was komen vliegen. Onderaan de trap wachtte een meisje van vijf of zes jaar oud op hem, in een maagdelijk wit jurkje. Eerst knielde hij en kuste de grond. Toen richtte hij zich op. Het meisje overhandigde hem een klein boeket gele en witte bloemen. Hij glimlachte en kuste haar voorhoofd. De opa van de wereld.