donderdag 16 december 2010

Zegt u het maar

‘Vooral als het mist, dan verga je helemáál van de stank.’
De oude man staat met een broodje Hollandse garnalen en een blikje Fanta in de hoek van het overdekte windscherm dat de haringkraam beschutting moet geven tegen de snijdende kou.
Vanonder zijn oranje ijsmuts priemt hij naar de jongere man die tegen de toog leunt en een in kleine stukjes gesneden haring met een witte plastic vork naar binnen werkt.
‘En het is zó’n smerige lucht.’
Met het aplomb van een acteur in een klucht van John Lanting vertrekt hij zijn gezicht in de mimiek die zijn woorden moet onderstrepen.
De haringman vermoedt wrijving en komt vanachter zijn snijplank in de hoek van de kraam tevoorschijn.
‘Ach Jacob, zegt hij, Bart moet het toch ook lekker warm hebben.’
‘Maar daarom hoeft ie nog geen nat hout te stoken.’
De jongere man ziet eruit als veel van de woonbootbewoners in deze buurt; schipperstrui, versleten zeiljack, regenbroek en zware halfhoge schoenen.
Hun schepen, zij aan zij in de gracht, zijn zomer en winter het toneel van onduidelijke opknap- en herstelwerkzaamheden. Het gieren van zaag- en schuurmachines, begeleid door de zware slagen van hamers op oud ijzer. En altijd drijft er rook van potkachels of fornuizen over het zwarte water. Zonder zich naar de spreker om te draaien bijt hij hem toe;
‘Ik stook geen nat hout. Dat zijn die burgers met hun open haarden.’
De oude voelt kennelijk geen behoefte de discussie verder op de spits te drijven. Hij neemt een hap en gromt een onverstaanbare tegenwerping.
Omdat heibel in de tent slecht is voor de eetlust, zegt de haringman;
‘Iedere stad heeft nou eenmaal zijn luchten. Neem de suikerfabriek, als de wind verkeerd stond zat je van oktober tot na Nieuwjaar in de stank.’
De anderen mompelen bevestigend. Opgelucht dat hij de aandacht naar een gemeenschappelijke vijand heeft afgeleid, weet hij er nóg een;
‘En dan de Niemeijer. Soms kom je buiten, is het net of je met je neus boven een pak zware shag hangt.’
‘En wat dacht je van Rotterdam’, neemt de bootbewoner bereidwillig over.
‘Of Delft’, vult de oude aan. ‘Daar heb ik jaren gewoond, ik heb voor mijn leven genoeg gist en spiritus geroken.’
Omdat ik meen dat dit het juiste ogenblik is om me in het gesprek te mengen zeg ik op besliste toon:
‘Fabrieken horen niet in de stad.’
Er wordt oorverdovend gezwegen. Ik ben te vroeg, men was nog niet toe aan de conclusie.
De haringman kijkt me verwonderd aan, alsof hij zich nu pas van mijn aanwezigheid bewust is.
‘Of neem Den Haag’, probeert hij nog.
Maar de fut is eruit, het praatje is leeggelopen.
Het steekt nauw.
‘Zal ik ze in een zakje doen Bart?’
De bootman schudt zijn hoofd, neemt met een beroete hand het pakketje aan, gooit de resten van zijn haring in de afvalbak en verdwijnt in de schemering. De plastic flappen van de overkapping wapperen nog even na.
Met een vleugje verwijt in zijn stem wendt de haringman zich tot mij;
‘Zegt u het maar.’

1 opmerking:

adriaanhendriks zei

Wilde de haring nog een beetje smaken, daarna?